Bij het SETL-project wordt onderzocht welke mariene organismen zich vestigen (‘settelen’) op speciaal daartoe opgehangen kunststof platen. Deze platen zijn opgehangen in havens of meren en aan steigers. Om de drie maanden worden de platen door vrijwilligers onderzocht op organismen die zich daarop hebben vastgehecht.

Op hard substraat gebaseerde leefgemeenschappen in gematigde zeeën blijken zeer gevoelig voor niet inheemse binnendringende soorten. Deze inheemse binnendringende soorten krijgen een kans door verschillende menselijke activiteiten zoals de scheepvaart (niet inheemse soorten vastgegroeid aan scheepsrompen, aanwezig in ballast water), vervuiling in havengebieden, en bijv. schelpdier cultuur (mossels, oesters). Vanwege de uiterst schadelijke gevolgen voor zowel ecosystemen als economische activiteiten staat dit probleem tegenwoordig volop in de belangstelling.

Het SETL-project is in maart 2006 van start gegaan, opgezet vanuit stichting ANEMOON in samenwerking met het Smithsonian Marine Invasions Laboratory of Smithsonian Environmental Research Centre. Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis en de Universiteit Leiden en leent zich uitstekend voor het vroegtijdig opmerken en onderzoeken van de vestiging van uitheemse soorten met potentieel invasieve eigenschappen. Op deze manier kunnen dergelijke soorten worden opgemerkt voordat ze al te ernstige effecten veroorzaken. Eventuele bronnen van introductie kunnen ontdekt en aangepakt worden en men kan anticiperen op mogelijk verdere schadelijke gevolgen van uitheemse soorten.

Het SETL-project heeft zeer lage kosten en is voornamelijk afhankelijk van het werk van vrijwilligers en universitaire studenten. (Inleiding Bronvermelding: http://www.anemoon.org/setl)

Ons is gevraagd om met dit SETL project in de Toolenburgese plas mee te doen.

Op 15 juni hebben we een tweetal SETL platen( fig.1) opgehangen aan de ballenlijn bij de duikstek. Gedurende een drietal maanden hebben de platen op een diepte van 1 meter gehangen.. Zondag 14 sept. hebben we de eerste platen gefotografeerd, en gedetermineerd.

Fig 1

Het is de bedoeling dat de platen zodra ze uit het water zijn, worden gefotografeerd. Dit is om er voor te zorgen dat erg geen organismen van de plaat af kunnen vallen, of dat kreeftjes die erop zitten eraf zullen springen. Zodra de bakstenen met platen van de ballenlijn afgehaald zijn, werden ze direct omgekeerd in een bak met water gezet  (fig. 2).

fig 2

Op het moment dat de platen in de bak komen zie je al dat vlokreeftjes in de bak rond gaan zwemmen. Na het uitgebreid ter plaatse fotograferen worden de platen in de tuin verder bestudeert.

Hierbij wordt gelet op de soorten op de plaat de grootte van het organisme, en hoe vaak ze op de plaat voorkomen. (fig. 3a & 3b)

fig 3a – H116
fig 3b – H115

Fig 4 – Locatie platen bij duikstek Recreatieplas Toolenburg:
H116 bij linker boei, H115 bij de rechter boei.

De platen hebben 30 meter uit elkaar gehangen. (fig. 4)

Eerste Waarneming:

Er zijn een viertal organismen waargenomen, die zich op de plaat hadden gevestigd.

1) Draad algen (Cladophora) (fig. 5)

2) Hydroid (cordylofora caspia) (fig. 6)

3) De zebra mossel (Dreissena polymorpha) (fig. 7)

4) De vlokreeft.( Bathyporeia elegans) (fig. 8)

Fig 5
fig 6
fig 7
fig 8

Voor de schatting van aantallen zebra mossels, is er een compleet aantal geteld op een kwart van de gehele plaat (fig. 9)

fig 9

Voor de grootte van de driehoeksmossel is naar de langste mossel, en de gemiddelde lengte van (steekproefsgewijze gekozen) mossel gekeken.

Bij de Poliepjes en draadalgen was het lastiger om aantal en groote te bepalen.

Tevens is gekeken of er geen uitheemse organismen bij zaten zoals de

Canadese albino mossel: Quagga mossel (fig. 10)

fig 10

(bronvermelding: Arjan Gittenberger(http://www.gimaris.com/mainframe.htm)

Resultaten:

Wat direct opvalt, is dat de platen bijna helemaal bedekt worden met de zebra mossel. Opmerkelijk hierbij is te vermelden dat de plaat H115 veel meer poliepen op de plaat heeft zitten dan de H116.

De draadalgen bevinden zich alleen aan de randen van de SETL platen.

Van de Vlokreeftjes zijn we er in totaal 3 tegen gekomen.

De cordylofora caspia zijn bij deze platen verder niet geanalyseerd.

De zebra Mossel:

Op plaat H116 zijn in een kwart van de plaat een 136 zebra mosselen waargenomen. Voor een ruwe schating van de gehele plaat zou dat komen op een aantal van 544. Op beide platen is gezocht naar de grootste mosselen. De gemiddelde lengte van de grootste mosselen kwam op een 14 mm. De gemiddelde lengte van de mosselen zat op 10 mm.

Beide platen zijn uitvoerig onderzocht naar uitheemse organismen zoals de Quagga mossel. Deze zijn niet waargenomen.

Conclusie en discussie:

Wat de reden kan zijn dat de ene plaat met meer hydt bedekt is dan de andere is ons nog niet geheel duidelijk. Dit zal pas duidelijker kunnen worden als we deze verdeling bij de volgende platen weer tegen  komen.

Dat de draadalgen alleen aan de zijkant van de plaat voorkomt zal waarschijnlijk te maken hebben met het feit dat de platen naar de bodem waren gekeerd.

Omdat we niet goed raad wisten met de analyse van de cordylophora, hebben we ons maar beperkt het fotograferen ervan. Wanneer de volgende platen eruit gehaald worden (14 december) zullen we dit een stuk grondiger aan gaan pakken. Hierbij zullen we proberen duidelijker aantallen en grootte in kaart te brengen.

Om de 3 maanden komen de platen eruit, dus kunnen we in de loop van het jaar de veranderingen op de platen waarnemen. Het geheel zal ons wellicht iets meer kunnen vertellen over het leven in de Toolenburgse plas.

Guus Baan

OWBC Duikteam Haarlemmermeer.

Avatar foto

Door Guus

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *